Botanische bollen en stinzenbollen zijn belangrijk voor de biodiversiteit omdat ze al heel vroeg in het jaar bloeien, op een moment dat er nog weinig andere bloemen beschikbaar zijn. Daardoor vormen ze een cruciale voedselbron voor bijen, hommels, vlinders en andere bestuivers die uit hun winterrust komen. Zo komen hommelkoninginnen in februari of maart suf en hongerig uit hun overwinteringsplek tevoorschijn. Ze hebben direct voedsel nodig. De wilde bijen die snel daarna actief worden vliegen meestal maar 150 meter van het nest. Voedsel in de buurt is daarom levensbelangrijk.
Bloembollen groeien en bloeien eigenlijk in elke grondsoort, zolang de grond maar goed water doorlaat. De bol slaat namelijk in zichzelf voedingsstoffen op, dus voor de eerste bloei heb je geen mest nodig.
Wat ze wél haten: natte voeten. Zware klei waar het water op blijft staan of een laaggelegen plek waar het na regen blijft modderen, betekenen het einde van je bloembol. Verbeter zulke grond met grof zand voor je bollen plant, of plant in een verhoogd bed.
Voorjaarsbloeiers geef je direct na het planten een gietbeurt. Dat zet de bollen aan om wortels te maken. En hoe meer wortels er voor de winter zijn, hoe beter de bol tegen kou kan.
Daarna neemt de natuur het werk over: regen is meestal voldoende. Alleen bollen in pot blijven aandacht vragen, want potgrond droogt sneller uit dan tuinaarde. Houd de potgrond licht vochtig, niet zompig nat.
Niet alle bloembollen komen elk jaar even goed terug. Grofweg zijn ze in drie groepen te verdelen:
Let op! Laat na de bloei het loof gewoon afsterven. Niet meteen wegmaaien. De plant trekt al het voedsel uit de bladeren terug in de bol als opslag voor volgend jaar. Pas als het blad helemaal geel of bruin is, mag het weg.
Tip: Knip uitgebloeide bloemen direct af. Zo zorg je dat alle energie naar de bol gaat en niet naar het maken van zaden.
Bloembollen kun je eigenlijk niet bewaren. Bollen liggen in een soort slaapstand en wachten op een seintje om te groeien. Hoe langer ze boven de grond liggen, hoe slechter ze worden. Plant ze dus zo snel mogelijk. Lukt dat echt niet? Bewaar ze op een droge, koele plek (garage, kelder, zolder, koude schuur). Pas op dat ze niet gaan schimmelen. Hoge luchtvochtigheid is de vijand. Ontdek je schimmel op de bollen, laat ze dan even drogen en plant ze daarna meteen.
Let op! Er zijn uitzonderingen
Sneeuwklokjes (Galanthus), winterakoniet (Eranthis hyemalis) en Kievitsbloem (Fritillaria meleagris) drogen veel sneller uit dan andere bollen. Die moet je echt meteen na ontvangst planten, anders zijn ze al halfdood voor ze de grond bereiken.
Soms vergeet je een zakje bollen en is het al januari of februari geworden. Plant ze dan tóch alsnog. In de grond zetten is altijd beter dan wachten tot volgend najaar, want dan kun je ze weggooien. Ze lopen vaak gewoon nog uit, ook al ben je laat. De eerste bloei kan mager zijn (kortere stelen, minder bloemen), maar meerjarige bollen herstellen zich in volgende seizoenen vaak prima.
Het begrip bloeiboog is bij veel tuineigenaren wel bekend, maar eigenlijk hebben we het liever over een voedselboog. Want ook planten die (nog) niet bloeien, leveren voedsel en schuilplekken voor insecten, vogels en andere dieren. In een tuin waar groei-, bloei- en vruchtmomenten elkaar opvolgen, ontstaat zo een doorlopende voedselketen. Het hele jaar door.
Wie in de tuin rekening houdt met de voedselboog, denkt verder dan bloemen alleen. Door planten te laten staan, vroege bloeiers aan te planten en ook zaden en structuren te waarderen, ontstaat een tuin die dieren het hele jaar door ondersteunt.
Krokussen horen bij de vroegste bloeiers. Dat geldt zeker voor de boerenkrokus (Crocus tommasinianus), die soms al in januari boven de grond piept. Dat is precies de reden waarom deze stinzenplant zo waardevol is. Met boerenkrokussen in de buurt kunnen wakker geworden bijen, hommels en overwinterende vlinders meteen voedsel vinden.
Leuk aan de boerenkrokus is ook dat de zaden heel aantrekkelijk zijn voor mieren. Er zit een voedzaam uitsteeksel op – het mierenbroodje – waar mieren gek op zijn. Ze slepen het zaad mee naar hun nest en zorgen zo voor de verspreiding.
De boerenkrokus staat niet op zichzelf. Ook andere bollen en planten spelen, ieder op hun eigen moment, een rol in de voedselboog. Denk bijvoorbeeld aan een hazelaar (Corylus avellana). Een zeer vroege bloeier en windbestuiver, maar vooral belangrijk door de noten. Die vormen voedsel voor vogels en kleine zoogdieren. Andere planten en struiken zijn: wilg (Salix) en sleedoorn (Prunus spinosa). Samen met vroege bloembollen zorgen zij voor een aaneengesloten voedselaanbod voor insecten in het vroege voorjaar.
Tussen januari en juli kun je met de juiste bollen bijna onafgebroken bloei in je tuin hebben. Onderstaand overzicht laat zien wanneer welke voorjaarsbloeier bloeit, hoe hoog ‘ie wordt, en hoe diep je ‘m plant.
Allemaal te planten tussen september en december (vóór de eerste vorst), met uitzondering van sneeuwklokjes en winterakonieten, die direct na ontvangst de grond in moeten.